Frans Denissen over Comacina

Frans Denissen, onze nieuwe gastauteur, is een ervaren vertaler van Italiaanse literatuur. In 1981 verscheen zijn eerste literaire vertaling uit het Italiaans: de Decamerone van Boccaccio. In de loop der jaren vertaalde hij proza van grote 20e-eeuwse schrijvers zoals Leonardo Sciascia, Curzio Malaparte en Umberto Eco, modernistische meesterwerken van Carlo Emilio Gadda en gedichten van onder meer Cesare Pavese en Eugenio Montale.

Begin 2012 kreeg hij in Amsterdam de prestigieuze Martinus Nijhoff Prijs voor zijn vertalingen naar het Nederlands. Naast vertaler is Frans Denissen ook schrijver en dichter. En hij is natuurlijk ook een groot Italië-kenner. Speciaal voor Italia Magia schreef hij een persoonlijke bespiegeling over zijn recente verblijf op Comacina, het Italiaanse eilandje in het Comomeer dat ooit nog het persoonlijke bezit was van een Belgische koning. Of hoe iemand met een “insulafobie” erin slaagt drie weken lang te verblijven op een eilandje van niet meer dan zes hectare, omringd door het water van een van de grootste meren van Italië…

Drie weken op een piepklein eilandje

Isola ComacinaIk weet niet of de zielkunde al een ziekte heeft beschreven die ik voor mezelf eilandvrees of insulafobie noem, en zo ja, dan zal dat waarschijnlijk een onderafdeling van de claustrofobie of engtevrees zijn. Feit is dat ik er al aan lijd sinds ik voor het eerst op een eiland ben geweest. Sicilië en Sardinië zijn groot genoeg om me een vastelandgevoel te geven. Op Malta voelde ik me reeds onbehaaglijk. Ooit beging ik de stommiteit om op een dag waarop de mistral waaide van Marseille naar het Île d’If te varen, en die tocht was me zo slecht bekomen dat ik, er eenmaal lijkbleek van ellende aangekomen, voor de verscheurende keus stond: óf me daar blijvend vestigen, óf de woelige terugtocht ondernemen. Ik liet drie boten voorbijgaan en besloot me uiteindelijk toch maar op de laatste in te schepen, met het vaste voornemen nooit meer een eiland te bezoeken. Maar aangezien alleen een ezel zich geen tweemaal aan dezelfde steen stoot, overkwam me ettelijke jaren later krek hetzelfde: vanuit Trapani was ik met mijn liefste, alle innerlijke stemmen resoluut het zwijgen opleggend, over een spiegelgladde zee met de vleugelboot naar het eilandje Favignana gevaren. Nadat we het weinige wat daar te zien was ook gezien hadden, was er een strakke wind opgestoken en durfde ik niet terug. Mijn liefste had al haar overredingskracht nodig om me weer op die vleugelboot te krijgen. Wat moet een mens ook op Favignana? Hoe dan ook: geen eilandjes meer voor mij, had ik toen gezworen.

En nu zit ik drie weken lang op Comacina, een eilandje van zeshonderd bij honderdvijftig meter, het kleinste waarop ik wellicht ooit geweest ben, het enige in het Comomeer. Behalve ikzelf en een Brusselse fotografe in het ‘kunstenaarshuisje’ op een paar tientallen meters van het mijne, woont hier alleen een guardiano, die elke avond de ronde maakt om te kijken of er geen illegale kampeerders zich hebben laten insluiten. De veerman, die je moet bellen, werkt van negen tot vijf: daarvoor of daarna kan ik het eiland niet op of af. Niet dat het ver van het vasteland ligt: vanaf de aanlegsteiger zullen het ruw geschat vierhonderd meter zijn. Maar juist op die plek, vertelde de beurtschipper me, is het meer ook peilloos diep. Zwemmend ga ik het dus zeker niet proberen. En zeggen dat ik het zelf gezocht heb. Ik heb mezelf – en het lot – getart.

Hoe onooglijk het ook mag lijken, Comacina heeft een verbazend rijke geschiedenis. In de tijd van Julius Caesar was het al een vesting ter bewaking van de Via Regia, de belangrijkste heerbaan die van het schiereiland over de Alpen naar het noorden voerde. Na de val van het West-Romeinse Rijk werd het overgenomen door de Byzantijnen, die op de grondvesten van de tempel van Zeus een aan Sint-Euphemia gewijde basiliek bouwden. Toen de Longobarden Italië binnenstormden, vluchtten de rijkste burgers van Como en omgeving naar Comacina en vestigden er een versterkt dorp. Het valt nu moeilijk voor te stellen, maar omstreeks het jaar 1000 was het helemaal volgebouwd met huizen, kerken en kazernes en vormde het de hoofdplaats van het hele omliggende gebied. Het wist zelfs een tienjarige oorlog met Como glorierijk te doorstaan. Tot de Duitse keizer Federico Barbarossa zich ermee ging bemoeien. In 1169 viel hij Comacina binnen en beval elk bouwwerk dat erop stond, de drie kerken inbegrepen, met de grond gelijk te maken en de stenen in het meer te werpen. In 1175 verbood hij bij keizerlijk decreet er ooit nog een gebouw op te trekken. De bisschop van Como, Vidulfo, deed er nog een schepje bovenop en sprak over het eiland een eeuwigdurende vloek uit. Geen halve maatregelen in die tijd! Een eeuw of vier lang zou niemand meer de euvele moed hebben om er nog een voet op te zetten. Tot in de zestiende eeuw Sint-Jan de Doper aan een inwoner van Isola, het gehucht dat de gevluchte bewoners op het vasteland hadden gesticht, in een droom verscheen en hem de opdracht gaf op het eiland een kerk te bouwen en daar elk jaar zijn feestdag te vieren; hij gaf zelfs precieze instructies over de bouwplaats, en kijk, exact op die plek vond de brave man de fundamenten van het vier eeuwen eerder gesloopte heiligdom. Sinds die dagen werd Comacina een bedevaartsoord, maar er ook gaan wonen, ho maar! Een eeuwige vloek leg je, een heiligenverschijning ten spijt, niet zomaar naast je neer. Was het vanwege die vloek dat de toenmalige eigenaar, ene Augusto Capriani, het eiland in 1914 aan Albert I, koning der Belgen schonk? Of dat Albert het na de oorlog bliksemsnel aan Italië retourneerde? Weliswaar met de clausule dat het eiland een werk- en meditatieplek moest worden voor Belgische en Italiaanse kunstenaars. Zoals iedereen weet, zijn kunstenaars boven elke vorm van maledictie verheven.

En zo geschiedde. Tussen 1937 en 1939 ontwierp de ‘rationalistische’ architect Pietro Lingeri drie kunstenaarshuisjes in de stijl van Le Corbusier. Apart zijn ze zeker, en gelukkig is er niet geopteerd voor een pseudo-rustieke bouwtrant, maar dat rationalistische moet toch met een flinke korrel zout worden genomen: als het regent, komt het afvoerwater van het dak (regenpijpen waren waarschijnlijk niet rationeel genoeg) precies boven het midden van mijn voordeur terecht, waardoor ik daar een waterval en de vorming van een vijvertje kan aanschouwen. Slechts met een oliejas en kaplaarzen zou ik nog naar buiten kunnen. De ratio hierachter luidt wellicht: als het regent, blijf je maar beter binnen. De leef- en werkruimte is groot genoeg om er een levensgrote calvarieberg te beeldhouwen, het keukentje zo klein dat je goed op je ellebogen moet letten als je er aan het werk bent. Maar kunstenaars zijn asceten, nietwaar, die stellen zich tevreden met een homp brood en een stuk kaas.

Bloedmooi is het eiland anders wel, samen met de hele omgeving. Ondanks de bescheiden oppervlakte – zes hectare – is de gemeente Ossuccio, waar het toe behoort, erin geslaagd vier wandelpaden aan te leggen, en vanaf elk wandelpad krijg je adembenemende uitzichten over beide oevers van het meer en over de bergen die het overal omringen. Van tijd tot tijd kom je wat oude stenen tegen die archeologen er in de loop van de twintigste eeuw hebben blootgelegd en kun je daarnaast op een bord lezen wat er ooit heeft gestaan. En voor het overige wandel of klauter je tussen de grootst denkbare verscheidenheid van planten en bloemen, schiet er af en toe een konijn, een haas, een eend of een fazant voor je voeten weg en zie je overal het geflits van hagedissen.

Alleen ter hoogte van de landingsbrug is er enige activiteit: daar is een wijd en zijd bekende Locanda dell’Isola, waar de padrone elke dag precies hetzelfde (overigens uitstekende) menu serveert – wat al aangeeft dat het zich enkel richt op dagjesmensen, grotendeels vermogende buitenlanders, want het is behoorlijk prijzig. En er is een bar die om negen uur opent en waar ik mijn dagelijkse cappuccino ga drinken. Maar zodra de laatste klant van restaurant of bar ’s avonds in een watertaxi is gestapt, wordt er opgeruimd, vaart het personeel met een eigen boot naar huis, en is het eiland helemaal van de vier personen die er op dat moment verblijven. Dan daalt een grote stilte over Comacina neer en hoor je alleen nog het gesjirp van de krekels en af en toe de kreet van een nachtvogel.

Driekwart van de bezoekers komt trouwens alleen om te eten en laat de rest van het eiland links liggen. Gelukkig maar, zou ik zeggen, want een van de vier wandelwegen, il Sentiero degli artisti, voert langs de kunstenaarshuisjes, en het zou hier een hele begankenis worden als iedereen die zijn buikje rond heeft gegeten (om het vaste zesgangenmenu af te werken heb je wel een uur of drie nodig) zich nog even ging vertreden op het meest toegankelijke pad: dat van de kunstenaars, inderdaad. Daar staat weliswaar een bordje waarop bezoekers in het Italiaans en het Engels wordt verzocht de kunstenaars niet te storen (het deed me meteen denken aan de bordjes met Verboden te voederen in de dierentuin). Het belet niet dat regelmatig een toerist zijn neus komt platdrukken tegen de ruit in de toegangsdeur. Ah, toeristen! Blij dat ik in Italië ditmaal geen toerist ben.

Frans Denissen

(foto: Locanda dell’Isola Comacina - www.comacina.it)

Dit bericht is geplaatst in Gastauteurs en getagd , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>