Luc Devoldere over Pompeji en botox

Pompei 2Eind 2010 publiceerde De Standaard een opiniestuk van Luc Devoldere over Pompeji. Naar aanleiding van de instorting van enkele muren op de beroemde archeologische site waren er allerlei kritische artikelen verschenen in de internationale pers. Luc Devoldere was het niet helemaal eens met die kritiek: “Er schuilt een contradictie in het bewaren van erfgoed: zo maken we het vaak ook kapot.”

Begin maart 2014 was het opnieuw zover. “Pompeji-site lijdt onder instortingen” kopte een krant nadat enkele muren en een boog van de tempel van Venus waren ingestort. “Schande!” werd alom geroepen. Italia Magia publiceert de lichtelijk herwerkte tekst van Devoldere hier in avant-première.

Luc Devoldere studeerde oude talen en wijsbegeerte. Hij is verbonden aan de Vlaams-Nederlandse culturele instelling Ons Erfdeel, als hoofdredacteur en afgevaardigd-bestuurder. Hij vertaalde een gedichtenbundel van Pier Paolo Pasolini, onder de titel De as van Gramsci (2012), en schreef een reeks boeiende boeken, waaronder Wachtend op de barbaren (2002), De verloren weg: van Canterbury naar Rome (2002), Mijn Italië (2006) en Lucifers bij de brand. Notities (2009).

Over Pompeji en botox

Pompei 1Enkele jaren geleden stortten in Pompeji een gebouw en een paar muren in. Die muren hadden het begeven omdat het dagen lang geregend had in de streek. In de baai van Napels stapelde zich intussen weer de vuilnis op, omdat mensen geen vuilnisbelten in hun buurt willen en de camorra de lucratieve handel van de ophaling controleert.

We kunnen nu opnieuw met zijn allen met enig misbaar de mantra inzetten over dat desintegrerend land waar niets geregeld is, waar men zelf de vuilnis niet kan ophalen – het begin en de voorwaarde van beschaving. Een land dat niet in staat is om zijn kunstschatten en erfgoed in stand te houden.

Dat laatste is wat makkelijk. Nergens ter wereld zijn zo veel kunstschatten en erfgoed opgestapeld als in Italië. Alles alleen maar min of meer ongeschonden  houden, is al bijna onmogelijk. En dan nog. Het Forum Romanum ziet er nu heel anders uit dan op de zestiende-eeuwse tekeningen van Maarten van Heemskerck, waar de monumenten nog half in de grond steken, en aanbouwsels en groen ze een heel ander uitzicht geven, waar koeien nog grazen. Hoeveel keren is het Laatste Avondmaal van Da Vinci in Milaan bijgeschilderd? Kijken we eigenlijk nog naar Da Vinci? Persoonlijk houd ik het meest van de met lover gedrapeerde ruïnes van het Rome van Piranesi, maar juist dat Rome is een verzonnen Rome, en ruïnes waar bomen in groeien zijn dan weer onherroepelijk op weg naar de natuur, zoals terrils.

Pompei 5De site van Pompeji is groot. De gebouwen hebben geen daken meer. Buitenmuren worden binnenmuren. Verval staat er in de sterren geschreven. De ingestorte  muur was al eens ingestort tijdens de Tweede Wereldoorlog. Men zou nu opnieuw stenen verzamelen en hergebruiken. Versta mij niet verkeerd. Natuurlijk heeft Pompeji geld nodig. En een plan. Maar toch is er meer over Pompeji te zeggen.

In de film Roma (1972) van Fellini is er een verscheurende episode: tijdens de werken aan de Romeinse metro dringt de ondergrondse  graafmachine een Romeinse villa binnen. Aarzelend stappen mannen en vrouwen met helmen en zaklampen de kamers van het huis binnen. De zaklampen  strelen traag de muurschilderingen die voor het eerst na bijna twee millennia opnieuw worden bekeken door menselijke ogen. En dan gebeurt het onvermijdelijke: met de mensen is ook de lucht van 1972 de kamers mee binnengekomen. De lucht wordt wind, de wind wordt een stofwolk en voor onze ogen vervloeien de fresco’s, glijden ze van de muren af. Binnen enkele ogenblikken is de epifanie voorbij en is alles weg. Het verleden is teruggevonden en voor altijd verloren. Verslagen als Orfeus zijn we voor altijd  Eurydice kwijt. De scène is van een melancholie die je in het gezicht slaat. Melancholie om het onvermogen het verleden zuiver, intact te bewaren.

De mens verandert de dingen, de werkelijkheid door zich erin te bewegen, door er alleen maar naar te kijken. Onze pure, fysieke aanwezigheid bij “erfgoed”, materiële resten van het verleden, verandert die resten. Onze blik alleen al die ze bepaalt als “erfgoed” verandert ze.

De mens wil die resten redden, en juist door ze te redden, maakt hij ze kapot. Het is met het “authentieke” niet anders. Telkens als je het ervaart, is het al niet meer “authentiek”.

Neem nu de Etruskische graven in de buurt van Tarquinia. Je kunt er enkele bezoeken. De meeste zijn nog bedolven. Men weet ze liggen, maar kan (geen geld) of wil (?) ze niet blootleggen. Ik weet pertinent zeker dat ik in de jaren ‘80 van de vorige eeuw in de buurt van Tarquinia in die graven fresco’s heb gezien, die ik, gewoon omdat ik ademde en dus leefde,  mee ter dood heb veroordeeld. Knaagt dat besef?

Moeten we dingen opgraven die nu onder de grond rusten en zichzelf zijn, kunnen zijn? Zodra wij ze aan het licht brengen, stellen wij ze blijkbaar bloot aan lucht, aan verontreiniging, aan leven dat juist doodt. Tenzij we ze musealiseren, opsluiten in bunkers, kooien waar de juiste klimaatregeling ze in leven houdt, maar leven ze dan echt?

Neem het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius. Het enig bewaarde uit de Oudheid. Achttien eeuwen stond het buiten. In de zestiende eeuw is het van Lateranen verplaatst naar het Capitool, waar het het sluitstuk werd van het door Michelangelo ontworpen plein. Ooit legde ik een cesuur tussen de Romereizigers die het beeld nog gezien hebben op het Capitoolplein, en al diegenen die nu een te blinkende kopie zien, terwijl het origineel naar het museum naast het plein is verbannen. Eeuwen heeft men niet naar het beeld omgekeken, maar het bleef staan. Nu respecteert men het, maar men conserveert het als een mummie. Dat steekt mij. Ik heb ooit geschreven dat die “opzetting” voor mij niet hoefde: als we er niet toe in staat waren het beeld buiten te laten staan, omdat het brons werd aangetast door de luchtvervuiling en de trillingen van de stad, wel, dan moest het maar in elkaar stuiken. Waarom moeten de dingen eeuwig meegaan? Wij gaan toch ook niet eeuwig mee? Toen ik ooit aan de Commonwealth War Graves Commission in een brief vroeg of ze van plan waren de Britse oorlogskerkhoven in de Westhoek te blijven onderhouden, kreeg ik een antwoord waarin stond: “In perpetuity”. Ik vind de ambitie prachtig, maar is ze in het licht van de alles aanvretende tijd haalbaar? Le Temps, ce grand Sculpteur.

Pompei 7En kijk nu opnieuw naar Pompeji.

Het mooiste wat over de stad geschreven werd, is van de hand van Giacomo Leopardi. Misschien omdat hij het niet direct over Pompeji heeft. La Ginestra (De brem), een gedicht van 317 verzen, gaat over de brem op de flanken van de Vesuvius. Leopardi schreef het in 1836, toen hij zelf op de hellingen van de vulkaan, in een villa bij Torre del Greco, verbleef. Hij noemt de geurige brem de bloem van de woestijn, de nederige, taaie plant die het uithoudt waar alles, paleizen en steden, verdwijnt. De uitkijkpost van de dichter – ’s nachts op de desolate lavaflanken, tussen zee en sterren – wordt het toevallige punt voor een meditatie op ons verdwaald zijn in de oneindigheid van een heelal dat ons niet kent. Mensen moeten hun geweld tegen elkaar opgeven, meent Leopardi, en maar dicht bij elkaar gaan schuilen om zich te wapenen tegen de echte vijand, een superieur onverschillige Natuur. De mens is niet meer dan een schimmel op haar huid, een pathetische uitwas. Het blinde vooruitgangsgeloof dat de mensheid voortstuwt, is tegen de achtergrond van een kosmische, zinloze metastase niet meer dan een belachelijk misverstand. Kijk naar de brem op het veld. Hij maait niet, hij zaait niet. Hij vergaat zwijgend onder de mantel van lava, onschuldig, zonder verzet te plegen. Hij hunkert niet naar onsterfelijkheid. En toch is hij in al zijn woordenloze fierheid en wijsheid hoogstaander dan de brallende mens, gevangen in de waan.

Pompeji is een bewegwijzerd archeologisch catastrofenpark, dat kreunt onder de massa’s die het willen zien (Pompeji is de meest door toeristen bezochte locatie van heel Italië) en het door hun passage aantasten. Ooit heb ik het bij wijze van provocatie zo opgeschreven: “Als wij met zijn allen – archeologen, toeristen, passanten – de stad nu eens ontruimden en aan zichzelf overlieten? Dan kon zij weer vergaan tot landschap, en na de volgende uitbarsting, wie weet – tot brem.”

Ik weet niet of ik gelijk heb. Het gaat ook niet om gelijk hebben. Het gaat om de vraag hoe we met vergankelijkheid omgaan: je kunt restaureren en renoveren, stutten en beschermen, en uiteindelijk een afdak plaatsen, en dan een dak en dan een stolp –  en dan alles in een museum opsluiten. Je kunt alles tot erfgoed uitroepen. Je kunt vergankelijkheid bestrijden, je kunt ze even buiten spel zetten met botox, joggen en pillen, maar uiteindelijk zullen we allemaal het hoofd neerleggen. De ruïnes van Pompeji ook.

Luc Devoldere

Lees ook Pompeji-rood of Pompeji-geel?

Dit bericht is geplaatst in Gastauteurs en getagd , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>